Max facts

Mijn wortels liggen in de Achterhoek. Ik werd geboren in Doetinchem en woonde van mijn eerste tot elfde jaar in Laag-Keppel. Daarna verhuisden we naar het midden van het land. Ik deed in 1983 eindexamen (gymnasium B) op het Nieuwe Lyceum in Bilthoven en ging daarna studeren in Amsterdam. Na mijn propedeuse politicologie haalde ik in 1989 mijn doctoraal communicatiewetenschap, na een stage bij Chanel 9 in New York en een scriptie over het werk van buitenlandse correspondenten bij Nederlandse dagbladen.

 

Vervolgens vervulde ik tussen eind 1989 en begin 1991 mijn militaire dienstplicht: ik deed de officiersopleiding en werd daarna vaandrig voorlichter bij de 11e pantserinfanterie-brigade in Schaarsbergen. Na mijn afzwaaien begon op 1 februari 1991 een nieuwe fase: ik ging stage lopen op de economieredactie van NRC Handelsblad, onder leiding van de toenmalige chef Jurriaan Kamp. Na drie maanden mocht ik blijven, werd officieel NRC-redacteur en kreeg bij economie de portefeuille ‘beurs’ – ‘Dat is de slangenkuil van het bedrijfsleven’, werd er gezegd. ‘Daar leer je snel hoe de wereld waarover wij schrijven in elkaar zit.’ En zo was het.

 

Na de beurs volgde de portefeuille ‘transport’, met Nedlloyd en KLM als spannendste bedrijven om te volgen. Medio 1994 besloot ik mijn droombaan in het vak in te vullen: buitenlands correspondent. In november van dat zelfde jaar vlogen mijn vrouw en ik, beiden net 30 jaar oud, naar Singapore. Daar opende ik de nieuwe NRC-post Zuid-Oost Azië. We bleven er vijf jaar en naast de krant werkte ik voor radio (Radio 1 Journaal en Wereldomroep), televisie (RTL Nieuws) en tijdschriften (Elsevier o.a.). Het waren geweldige jaren, met eerst de Aziatische wondereconomieën en daarna de financiële crises in de regio. Een periode die begon met het oppakken van Barings-handelaar Nick Leeson en die eindigde met zijn ontslag uit de gevangenis, een paar weken voor ons vertrek terug naar Nederland.

 

Na de zomer van 1999 trad ik weer in dienst van NRC Handelsblad en begon ik als chef van de verslaggeverij op de redactie in Rotterdam. Tegelijkertijd werkte ik in het geheim (al duurde dat niet lang) voor en met de hoofdredactie aan een plan voor een nieuwe financiële ochtendkrant. NRC wilde een concurrent opzetten voor het Financiële Dagblad, de enige, destijds niet al te dynamische krant voor het zakenleven. Na spannende maanden met dummies en lezersonderzoeken koos uitgever PCM ervoor om deze nichemarkt niet in te stappen. De economie stond er matig voor, adverteerders besteedden minder en de verwachting was dat het gevecht met het FD om de zakelijke lezer hard, lang en kostbaar zou zijn. Gekozen werd voor een stevige investering in het bestaande economiekatern van de krant. Dat kreeg extra pagina’s en een nieuwe lay-out (met een imposante rode E als herkenbaar beeldmerk); de redactie kreeg extra  redacteuren en ik mocht aan de slag als nieuwe chef.

 

Het economie-chefschap heb ik ruim vier jaar lang met heel veel plezier gedaan: elke dag maakten we met een sterk bezette redactie een ‘krantje in de krant’. E kreeg naam en faam door het dagelijkse, scherpe en originele commentaar in de Lux-rubriek, de Breaking Views-columns en een aantal grote onderzoeksprojecten rond Shell, Ahold en de Rotterdamse Haven. Gezaghebbend en toegankelijk, dat waren de steekwoorden.

Eind 2004 was het weer tijd voor een nieuwe stap. Ik voelde de groeiende behoefte iets nieuws te leren en kreeg de uitnodiging om op het hoofdkantoor van PCM door bestuursvoorzitter Theo Bouman als journalist te worden omgeschoold tot uitgever. De praktijk was de beste leermeester, was de gedachte. Dus was er meteen een ambitieus project: zet een zondagskrant op voor PCM. Samen met Frank Kalshoven van De Volkskrant ging ik aan de slag. Een spannend half jaar volgde, ook weer met dummies en onderzoeken, met aan het eind van dat half jaar de koude conclusie dat aandeelhouder Apax het niet zag zitten.

 

Daarna mocht ik van Theo Bouman ‘op cursus’ en volgde ik een mini-MBA Media and Newspaper Executive Development (http://cbs-simi.dk/program/media-newspaper-executive-development) in Kopenhagen aan het SIMI. Een jaar met nieuwe projecten volgde, Theo Bouman vertrok, de Raad van Bestuur werd vernieuwd en er volgde een onrustige periode die uiteindelijk ook het einde van de uitgeverij zou inluiden. Ik leerde veel in de twee jaar dat ik bij PCM werkte, maar vooral ook dat ik mijn toekomst niet binnen dit bedrijf zag zitten.  In het najaar van 2006 waren er twee opties: terug naar NRC Handelsblad of een nieuw avontuur.

 

Het werd het laatste: mijn eerste chef bij de krant (Jurriaan Kamp) was inmiddels ruim tien jaar bezig met het tijdschrift Ode, woonde intussen in San Francisco waar de internationale editie werd gemaakt, en zocht een hoofdredacteur-uitgever voor de Nederlandse editie. Ode begon in 1995 als inspirerend platform voor verhalen over mensen en ideeën die de wereld veranderen. Een nieuwe benadering van de journalistiek, die traditioneel opereert volgens het adagium ‘goed nieuws is geen nieuws’. Aanvankelijk werd Ode door de branchegenoten wat sceptisch ontvangen en weggezet als new age-journalistiek. Maar na een paar jaar groeide de waardering voor deze pioniersjournalistiek en toen ik de overstap maakte waren onderwerpen die Ode al jaren besprak, zoals duurzaam ondernemen en zingeving, intussen door een grote groep omarmd.

De afgelopen vier jaar werkte ik vanuit Rotterdam en een paar keer per jaar vanuit het internationale hoofdkantoor in San Francisco, met heel veel plezier en inspiratie voor Ode (www.ode.nl). We maakten mooie bladen, vernieuwden de site, organiseerden symposia, brachten een speciale editie uit rond de 100e Ode en wisten nieuwe manieren te vinden om lezers en adverteerders aan het blad te verbinden.  En we maakten Ode TV voor tv-zender Het Gesprek, waarvoor ik ook een aantal interview-programma’s mocht maken.

 

In de zomer van 2010 kwamen er twee werelden voor mij mooi samen: NRC en Ode. De banden waren altijd warm gebleven, en de nieuwe leiding gaf nieuwe energie aan de krant. Het idee ontstond om een vorm te vinden waarin de Ode-onderwerpen duurzaamheid, leiderschap en zingeving toegevoegd konden worden aan de krant; een Ode-bijlage, onder redactie van Ode als speciale bijlage bij de krant.  Een project naar mijn hart om traditionele journalistiek te verbinden met pioniersgeest en optimisme.

 

De eerste Ode-bijlage kwam uit op 11 november 2010, op de Dag van de Duurzaamheid.  Het werd een ongekend succes wat betreft advertenties: veel bedrijven die Ode al jaren een warm hart toedroegen, steunden dit initiatief om het lezerspubliek voor de optimistische, oplossingsgerichte journalistiek te steunen. En ook de lezers reageerden grotendeels positief, op enkele kritische geluiden na van NRC-lezers die de Ode-journalistiek ‘te vaag, te zweverig en te weinig wetenschappelijk onderbouwd’ vinden. Dat is bijna inherent aan de oplossingsgerichte journalistiek van Ode. Om met Einstein te spreken: ‘Een probleem kan nooit opgelost worden op hetzelfde niveau als waarop het werd gecreëerd.’

 

De hernieuwde band met NRC werd de opmaat voor een nieuw hoofdstuk in mijn loopbaan. Net als in 1994 besloot ik weer voor mezelf te beginnen, nu als een soort correspondent in eigen land, met een aantal opdrachtgevers: Ode, als uitgever van de kwartaalbijlage en als schrijvend correspondent; NRC Media, als ‘chef verbindingen’ tussen de krant en het bedrijfsleven dat meer wil dan alleen maar adverteren; het bedrijfsleven, dat me inhuurt als adviseur op het snijvlak van journalistiek en duurzaamheid. Daarnaast ben ik geregeld dagvoorzitter of debatleider, soms voor NRC-bijeenkomsten, zoals het Groene Theater of de Klimaatdebatten, vaak ook voor het bedrijfsleven.

 

Rotterdam, april 2012